Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den heuvel, waar het dalende pad verloren ging in een nauw, donker dal met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij onder de hooge boomen het hertje antwoorden en begreep dadelijk dat er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren riep het al maar door; 't was een klagende angstkreet. De moeder draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest, maar het bleef hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en weer in den luisterenden nacht. — Woe-woe, „kom hier." Bla-a-a, bl-r-t, „ik kan niet; kom bij me." Ka-a-ahl, ka-a-ah! „onraad, volg me!"—en daarnakraaktehet in de takken, terwijl zij wegsnelde met het andere hertje achter zich aan; datzouze redden, al moest ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de sluipende wilde beesten in den nacht. Het was duidelijk genoeg wat er gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als ge de taal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde, waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar lag hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren, dat hij zoo lang in den wind sloeg.

Sluiten