Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatsten heuvelrug opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna 't geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed een hert. De moeder had mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje bij mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurde. De beer had haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene hertje, waar zij zeker van was, verdubbelde. Het ander was eenvoudig verdwenen in de stilte van de groote, onnaspeurlijke bosschen.

Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het kreupelhout scherp haar mijn oude kano stond te turen; op t zelfde oogenblik zag ze mij echter en verdween ze met een sprong in mijn richting, zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs was gegaan, liet ze haar heesch ka-a-ah, ka-a-ah! hooren en stak haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een scherp ka-a-ah, ka-a-ah! beantwoordde het hare; het tweede hertje drong uit de schuilplaats te voorschijn, waar zij hem had verborgen» en schoot met haar den heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen stammen, terwijl

Sluiten