Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen, om te zien hoe ik het maakte, en om mij een verheugd Tsj'wie! tsjip, tsj'wie-ie! „goeie vangst, en visch plezierig!" toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, om er mij van te overtuigen dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en niet oprecht belang stelden in de manier, waarop ik te werk ging, en in het succes, dat ik er mee behaalde.

Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren, ging ik eerst naar dat nest toe, maar om daar in de bosschen zoo nu en dan eens een glimp op te vangen van een schuw natuurleven, dat voor de meeste blikken verborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun groei waren, was er altijd meer dan genoeg in 't groote nest op den sparretop. Wat er van dien overvloed restte, in den vorm van koppen, graten, overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest gegooid en leverde een uitgezochte lekkernij voor allerlei hongerig rondsluipende dieren. Otters staakten hun kikkerjacht in de beek, en door den lekkeren geur in de lucht aangelokt, kwamen zij er op af. Pof, pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof geluid, waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze dennenmarter, die te

Sluiten