Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichtflitsen op het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte, buitengewoon merkwaardig — totdat er een paar breede wieken in 't zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijdopensloegen en losbarstten in een gretig gesjilp: piep, piep, tsj'wie? tsj'wie-ie-ie? „Heb je hem gevangen? Is 't een groote, moeder?" En dan richtten zij zich voorzichtig op den rand van het groote nest en rekten begeerig hun halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen. Soms trok er maar een van de vogels op uit om tè visschen, terwijl de andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes was, togen ze alle twee naar het meer. Bij zoo'n gelegenheid vischte de moeder, die grooter en sterker is dan het mannetje, langs de kust, waar ze haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje het meer over zeilde naar de forellenkolken in de monding der beek, waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer hij met zijn visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou hij pal tegen den wind invliegen, maar steeds laveert hij, alsof hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, wanneer deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker gadesloeg, zou zien dat hij zijn visch

Sluiten