Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was het. Wanneer hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en steeg de lucht in, totdat hij de twee vischarenden, die aan het visschen waren, in het oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang in groote kringen rondzeilen, turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om dan snel als de bliksem naar beneden te schieten en hem op de hielen te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten diende nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in 't geluid van den vleugelslag, dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die verstandig was, liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep hem, nog dikwijls voor hij in het water viel. Maar de vischarenden deed hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best met elkaar overweg konden. Cheplahgan bezorgde zich op zijn manier zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit lang hongerig hoefde te blijven, schikte zich, zoo goed en kwaad

Sluiten