Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BLIJDE LEVEN.

Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken tegen den wind in. Het was hem

een lust daar te drijven in het azuur van de lucht, door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad op haar wijze plezier, terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij nu weer met genoegen voor den geest roep. Het visschen 's morgens was afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond, zoo uit zee terug, lagen knus bij elkaar in mijn bennetje •— meer dan genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm, die tweemaal naar mijn „kwakzalver" had gesprongen, maar op — wat mij wel aan mijn hart ging, moet ik eerlijk bekennen — en ging op een aangespoeld houtblok zitten om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de boschbewoners bezig waren. Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de diepe kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen, een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den stroom, waar zij zoo graag liggen om zich in even-

Sluiten