Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wicht te houden midden in het voorbijschietende, ziedende water. Boven was het water op de ondiepe plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het aan 't zeepbellen-blazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, waar een speelsche, jonge zalm, bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig uiteenstoven. Wel een dozijn bellen en waterrimpels kwamen er nog bij, trokken mee met den ijlenden troep, als hij weer terugviel in zijn stille water, dat het klaterend opsprong en alle zangvogels aan den oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte schuimlap aan dat alles en kwam statig in den vliegenden stroom, die aan den overkant langs de groote zandbank schoot, aanlanden. Daar huisde mijri groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in het kalme water gedompeld werd, schoot hij er onder, sloeg hem met een slag van zijn staart in flarden. Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken — naar de schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van het licht en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij voorbaat en wedde met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder 't spelen uit elkaar zou slaan : tot de tweede wielingen, of

Sluiten