Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden; andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak met zijn kille bloed; weer andere dwaas, zooals het hertje, dat zijn leidsvrouw nooit wilde volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, als die groote mannetjes-eland, die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden; maar al die dieren, groot of klein, maakten altijd den indruk, alsof het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij genoot van zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst, waar ons menschelijk leven op schipbreuk lijdt, ontbrak daar geheel en al. Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd werd. Op het meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd — eerst het begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, waar een versch spoor mee aangekondigd wordt, daarna het woeste, bassende koor, dat den bergrug galmend opstoof en verried hoe er een hert op de been was, dat door de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten van de herten uit die streek wel zoo'n beetje; wist ook dat de jagers op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer, dat het hert al weken geleden verlaten had; dus

Sluiten