Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het helpt niet, of ge al roept; ge kimt ze nauwelijks met stokslagen van het spoor brengen. Het lijkt wel of ze half dol zijn, gehypnotiseerd door den geur, die hun in den neus dringt. Als ze blindelings door het bosch rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de inspanning, die er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlak voor hen neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en tijgen er weer op uit om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen dag door; dan volgen ze hem, tot hun pooten pijn doen en ze moe zijn; daarna gaan ze een poosje liggen slapen en 's morgens komen ze weer thuis aanhinken.

Laten wij de honden nu eens vóór zijn en Reintje bij het vossenpad opwachten. Daar is 't gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, zoo licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote, wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het plompe gedraaf van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen, zelfvoldaan als hij is, jaagt — wanneer het een jonge vos is — zijn staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar

Sluiten