Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beek en springt van den eenen steen op den anderen; kiest daarna voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden, naar den top van den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien, en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf hem te dichtbij komt, glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar het is, alsof de wind hem naar den volgenden heuvel blaast. Ook hier bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen dien grooten regel van het dierenleven slechts: vroolijkheid overal, zelfs dan, wanneer wij een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossen, die ik met woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik er slechts een ontdekt, die niet den indruk gaf, alsof hij veel meer pret had dan de hónden, die op hem joegen. Dat is de reden, waarom hij zoo zelden in zijn hol vlucht, dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer, dan blijft hij den geheelen dag op de been, maar als het loopen hem zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij een poosje om zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol, waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen: de grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven.

Sluiten