Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krabben, of hard moeder roepen; ten slotte weer wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht nemen. Zij kennen het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld en niet door hun aanleg.

En het zijn geen blijken van angst — in de beteekenis, die wij aan dat woord hechten —• maar het is een gedragslijn, die hun voorgeschreven is. Zoo staat een karrepaard stil, als de bel tjingelt; zoo wijkt de mensch rechts uit, omdat hem dit geleerd is, zoo buigt hij zich onder het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich een onbekend geluid hoort. Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte aan pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar barmhartigheid dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen wapenen, en zij zijn evenmin in staat tot een geloof, het eenige, waardoor die angst overwonnen kan worden. Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen pijn, in welken vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan — behalve dat zijn moeder hem af en toe

Sluiten