Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood — ziedaar de drie dingen, die een dier zich nooit bewust in 't hoofd haalt; en zijn ondervinding geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend, eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn dus gelukkig, doordat hun barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef.

Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met de witte schuimlappen, die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn wipplank heeft gezelschap van een tweede gekregen; ze zwiepen samen op en neer, op en neer, in den stroom, die alles maar goedmoedig toelaat. Beneden hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar zijn *— en onder tusschen wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde omlaag heeft eten en clrinken — hij zal wel komen, als hij hongerig is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten en moeten nog wat doorjubelen. Daar, waar het water in trage wielingen vloeit, springen de zalmen op, krachtig als ze zijn;

Sluiten