Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde grijs en de geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen, wanneer ze oud worden. Het scheen niet bang voor mij te zijn, alsof het de kalme berusting geleerd had, die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks op zij, als ik naderde, kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik mijn hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes dicht. Wel een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig met zijn oogen, maar als ik het aan mijn vingertop een droppel water reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het bosch met al zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den dennetak, waar het knikkebollend in slaap viel, eer ik wegging. Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een lageren tak van den dikken den. Weer nestelde het zich in mijn hand en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering vond ik het met zijn kopje naar beneden aan een dennewortel hangen; zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd — nooit. meer zouden ze loslaten — en even raakte zijn snaveltje het leven-wekkende water. Aan de bron,

Sluiten