Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu ben ik zelf gedoemd, gebukt, te treden Voor 't fonkelen der oogen van mijn heer, Nu tuchtigt mij zijn stem tot recht en rede. En houdt zijn wil mijn mokkende opstand neer.

Ik treed, bevreesd, bij 't hooge dageraden, Voor 't statiebed, waar hij zijn rust genoot. Ik mag hem in welriekend water baden En melden wat de markt al kostlijks bood.

Ik zalf zijn haar; ik plooi de soeple kleeden, Al naar zijn grillige eisch verlangen kan, En tooi hem met verfijnde kostbaarheden En voel me, onwillig, in zijn schoonheidsban.

Ik reik het bord met bros gebakken brooden, En sneeuwgekoelden wijn in gouden schaal. Dan zing ik, tot zijn lust, mijn eigen nooden. En nipt hij van mijn leed, als zoet onthaal.

Ik dans voor hem in schoone en schuwe standen, Genegenheid schijnt mijn verbloemde haat. En dan verwin ik hem! o heete schande, En hij ontwijdt de bloem van mijn gelaat.

Sluiten