Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DOOPELING

Hij kwam te midden van Gods dienerschaar, Die hem vol statie over 't koor geleidde: Simpele blankheid tegen helle zijde Van purpren tabbaard en brocaat talaar.

En ieder zag hoe hij terneder klom.... Even zijn voeten in het water plasten. Toen dook hij nêer in den albasten kom, Zijn zonden in het zuiver bad te wasschen.

En of God eensklaps hem zijn leven nam, Vloeide zijn adem weg in doodlijk wonder. En zengde hem Gods vreeselijke vlam, En ging hij in Gods heilgenade onder.

In de eigen stonde (als de zonnegloed Dringt koesterend in dichte bloesemknoppen) Voelde hij hemelsch leven in zich droppen, En hij zég God; was zalig, rein en goed.

En toen hij rees met biddend aangezicht, Straalden zijn oogen klaar, schoon half geloken. En al de druppels aan zijn haar ontploken Tot diamanten rozen, blank en licht.

Sluiten