Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij knauwden hen door 't knagen van de pijn. Wanneer zij hem, der aarde heer, aanbaden, Zij dwongen hen, of 't hunne zielen schaadde, Bij 't offer in zijn hooge huis te zijn.

Maar als de blijde knapenkoren rezen Boven het kirren van de maagdenrei, Werd hun bedwongen droefheid groot en vrij En stonden zij: Gods onbeschutte weezen.

Doch in hen rees de vloed der liefde hoog En smart kon niet tot harts verrukken raken, Zij hoorden reeds de broze heemlen kraken En zagen Jezus, die hen tot zich toog.

En 't wilde lied van hoondoordrenkte woorden

Klonk hen een lofzang uit Jeruzalem,

Alsof de helle kristallijnen stem

Der engelen de dunne lucht doorboorde. •—

En hij zat op den hooggerichten troon. En hoorde hoe hem allen heerlijk prezen; En als hem allen godlijke eer bewezen. Benijdde hij nog God dien gruwbren hoon.

Sluiten