Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NARKISSOS (Fragment)

Op fond van donker hemelblauw,

Zag, heel den dag, gebogen aan de beek, Ik 't huiverende en heimelijke schoon Mijns aangezichts, der leden kloeken bouw, De gansche onverhulde heerlijkheid Des lichaams, ademdeinend, greep-nabij. Heerlijk ontloken bloem van mijn gelaat, Rozige wang, wier zachte blozing is Fijner van overgang dan 't even roodGetinte moer in hoorngebogen schelp. Wonderlijk oogenpaar, wier diepe gloei Niet laat ontraadselen de donkre kleur, Wier vleiend vragen als een streeling is. Die ons doorhuivren komt, zoo zalig zoet. Als 't volle waaien van den zomerwind, Voor de eerste maal, het ongewende naakt. Het fijn gerimpeld rood der zoete mond, Waarom de glimlach, eeuwig ongelijk, Te wieglen ligt als glans om fulpen vrucht, Lokt mij zoo dicht ten spiegel, dat de tuit Der spitse lippen strookt haar eigen schoon. Kan daar nog schooner zijn en meer genucht, Dan, aangezicht tot aangezicht, in al Des schoonen lichaams gracelijk beweeg. Te zien zijn eigen ziel, die, godgelijk,

Sluiten