Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onbeeldbaar zich verbeeldt in elk gebaar

Van hand of voet, in 't stadige gedein

Der borst, die kalm en traag zijn adem haalt,

In 't wisselen der blos, die gaat en keert,

En meest in 't vademloos en glinstrend diep

Der oogen, duister bij haar helle vonk.

Zoo wordt het leven tot één zaalge stond,

Een nooit voldronken teug van diep geluk,

Die altijd lescht den dorst, die altijd duurt.

En daar is niets, dat ik méér minnen kan

Dan u, mijn ziel, die eeuwig, goddelijk,

Zoo schoon verbeeldt tiw onverbeeldbaar schoon.

Schende ik de goden, die een eeuwigheid

Eerder bestaande als gij, üw eeuwigheid

Kunnen verdoemen nóch uw schoon verdoen.

Zoo ik u noeme als hen, onschendbaar, god?

Zoo sla hun ban mij met vernietiging,

Zoo niét, mij zij dit duurzaam deel vergund,

Te schouwen, ongestoord, mijn ziel, altoos....

O goden, dat gij dit bestendigd hebt,

En toen de teedre nimf zich naar mij boog,

(Bevende was haar mond mijn wang genaakt,)

Mij omvormde in een bloem, die buigt als 'k boog,

En aan den kroezen kroon den heeten aem

Sidderend deed verdeinen toen zij schrok,

En klagend week en zwierf door weide en woud.

En ik, beveiligd voor haar zoet gefleem,

En door geen mensch in mijn gepeins gestoord,

Sluiten