Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GANYMEDES (Fragmenten)

I.

Zijn schoonheid had haar rijksten bloei bereikt. Nog eénen dag, de schuchterheid der jeugd Zou groeien tot den donkren durf des mans. En hunkrend gloeien door zijn straffer lêen, Maar nóg niet: bevende was daar een glans. Nu zilvren en dan even goud getint, Dan klaar en blank, dan diep- en purperrood, Al naar hij wendde en ging, of danste en lag, Al naar het siddrend rhythme van zijn aem Verdeinde rustig, óf gejaagd en kort En hijgend ging, wanneer begeerte heet Met pijnigenden slag zijn bevend hart Deed bonzen hoorbaar, en het ziedend bloed De polsen zwol ter suizelende slaap. En al de teerheid der ontwaakte jeugd Die schoon en veeg is als de morgendauw Als haar de zon verheerlijkend verderft, Straalde verblindend in Zeus' felle licht. De goden minnen zeer het schoon geslacht Der sterfelijke knapen, en hun glans Huwt gaarne zich aan bloode donkerheid. Zóó Zeus. — Hij zag de zoete heimlijkheên Waarmee zich Ganymedes iedren dag

Sluiten