Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BOER

Het voorjaar is ontwaakt, en rinsche geuren waaien Den taaien bodem uit, nog grauw en bar en braak, En prikkelen den lust tot ploegen en tot zaaien: De harde noodzaak wordt een vreugdevolle taak.

Ik kies de kloeksten van de stoergebouwde ruinen, En dampend treden ze in den koelen morgenstond. Eén beenzwaai, 'k zit; met knie en hak beheersch 'k

[hun luimen

En fluit tevrêen, als 't span zijn sukkeldraf hervond.

Het blinkend kouter scheurt door donker rullende aarde. De paarden trekken strak, ik druk den ploegstaart vast. En vore trekt naast vore, en braakland wordt tot gaarde ; Uit armoe van het werk straks welig koren wast.

De treitrende egge ramt de grovigheid der kluiten. En over 't muller veld de milde zaaier gaat. Gods regen en Gods dauw doen iedre kiem ontspruiten. En mijn verbruikte kracht herleeft in groenend zaad.

De wiedsters zuivren 't veld; de zon stooft heet van

[boven,

De lange gele halm buigt onder vollen aar.

De zichten treffen scherp; het vrouwvolk bindt de

[schoven.

Achter de laatste vracht komt zingend heel de schaar.

Sluiten