Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dan de tijd van rust, als 't oogstfeest is doorleden; De onstuime dartelheid van lach en scherts en lonk. Dan berst de strakke band van plichten en van zeden: Tot schroeiend heete vlam wordt hartstochts kleine vonk.

Als de seizoenen traag naar winters stilte rijpen, Schijnt ook mijn kracht ter rust en lusteloos en loom. Maar nauw komt lentes nood mijn werkgraag harte

[nijpen,

Of ook mijn hande' ontwaken kloek en sterk en vroom.

Want mijn werk is Gods werk, wij bouwen samen

[d'akker.

Met al mijn zwoegen en mijn moeiten en mijn zweet. En was ik moedeloos en lag ik zorgend wakker. Hij waakte en wrocht als ik; en 't werk viel minder

[wreed.

En eenmaal rust 'k voorgoed; Gods oogst kwam veilig

[binnen.

Ik vouw de handen saem, gezegend is mijn lot.

En de aarde, die ik zoo hartstochtlijk moet beminnen,

Zie ik herbloeien in den wijden rust van God!

Sluiten