Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als aan het zwellend hout de teedre blaadjes zweven, Verdroomen meisje en man hun avonden in 't groen.

Dan kust hij haar gelaat, en zijne handen beven, Als aan haar vingertjen, hij, speels, den ring gaat doen.

Zij gaan ten hooggetij, betrachten plicht en zede, ' Hun huis en heem wordt luid van kinderlijk geweld, Hun teedre dochters zijn zacht als de zoete mede. Hun zonen stoer en trouw als het weerbarstig veld.

En allen geeft het werk de mildheid van gouds gloeien. En hun gelaat verheugt gelijk zijn eedle schijn.

Hen brengt de lange dag een zaligend vermoeien, Hun lachen en hun slaap zijn altijd zonder pijn.

De god, dien ik verhief, mijn sidderende handen

Houden zijn kostlijkheid slechts voor seconden vast. *

Mijn vingers kozen hem, mijn hongrige oogen branden. Dan blijkt zijn rein gewicht voor mij te zwaar een last.

En wrokkend laat ik hem, en werkend buk ik neder, En neem mijn luttel loon, en koop mijn kaargen kost,

En win mij korten slaap, en wakend werk ik weder. En ik bevrijd den god, die mij niet heeft verlost.

Sluiten