Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. Armzwemslag.

b. Liggend op het zwem-steun-apparaat.

Men verdeelt de klas, naar gelang er toestellen zijn, in groepen van leerlingen van gelijke grootte. De geheele klas staat in frontrijtjes achter haar toestel, de grootste leerling van elke groep op den rechtervleugel.

Daar het toestel van een schaalverdeeling voorzien is, waarop verschillende lengten zijn aangegeven, laat de onderwijzer, door twee leerlingen, het bovenvoorstuk met de naald op het getal plaatsen, dat de gemiddelde lengte van de leerlingen van elke groep aanduidt. Het achter-bovenstuk wordt alleen verplaatst naar achteren voor een leerling met zeer langé beenen. Overigens moet men het met de naald op den streep laten staan.

De leerling plaatst zich achter het toestel, buigt den romp voorover en grijpt met één hand het bovenvoorstuk en houdt den anderen arm voorwaarts geheven, totdat de romp op de singelbanden rust en grijpt dan met beide handen de voorste pooten van het toestel vast. (Zie fig. 20.) Daarna strekt hij den romp en gaat zoo gemakkelijk mogelijk in de uitgangshouding liggen.

Nu wordt de armzwemslag, zooals die op de plaats geleerd is, uitgevoerd in *'*, % s/4 en vervolgens weer in het armzwemslag-tempo. (Zie fig. 21.)

II. Beenzwemslag. *

B. Met beide beenen tegelijk.

c. De beenzwemslag wordt, evenals de armzwemslag, weer afzonderlijk beoefend. Om den beenzwemslag

Sluiten