Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewegingen, dan kan hij direct gaan staan en, na te zijn uitgerust, zijn oefening weer hervatten.

Het is aan te bevelen, om een tweeden leerling naast het toestel te plaatsen, die het draaien en schommelen ervan verhindert.

Terwijl men de oefeningen, in I, II en III genoemd, aan het beoefenen is, is het noodig, dat de onderwijzer tegen het einde van de les met de leerlingen eenige spanbuigoefeningen, voor het ontwikkelen van rug-, schouder- en achterste dijbeenspieren, aan het wandrek laat uitvoeren. Deze dienen om de leerlingen gemakkelijker een zuivere gestrekte houding in het water te doen aannemen.

Men plaatse voor deze oefening de bank op een kleinen afstand voor het wandrek, zoo, dat wanneer de leerlingen zich met de voeten onder de 2^® sport hebben geplaatst, zij er met het dijbeen op kunnen rusten.

Uitgangshouding: voeten onder de 2^e sport, beenen gespreid, dijbeenen op de bank, de romp een weinig voorover gebogen, het hoofd achterover, de armen gestrekt naar voren, de wijsvingers tegen elkaar aan en de vingertoppen op den grond. (Zie fig. 26.)

Op een! de romp langzaam oprichten, totdat de armen horizontaal zijn. (Zie fig. 27.)

Op twee! de romp langzaam laten zakken tot in de uitgangshouding.

Dit kan men herhalen, terwijl men in de opgeheven houding door de leerlingen den armzwemslag kan laten uitvoeren.

D. Het aantal lessen, noodig voor de droog-zwemoefeningen.

Het aantal lessen in het droogzwemmen, door verschillende practici noodig geacht om met goed gevolg te kunnen overgaan tot de lessen in het water, bedraagt gemiddeld tien.

Sluiten