Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Het zwemonderricht in het water.

A. Het zwemmen.

Alvorens de onderwijzer met zijn klasse naar de zweminrichting gaat, moet hij bekend zijn met de temperatuur van het water. Is deze lager dan 18° C, dan is het niet wenscheüjk met pasbeginnenden te water te gaan.

De zwemplaats moet 0.75 M. tot 1.25 M. diep zijn.

De onderwijzer moet er op letten, dat de aangegeven grens tusschen het ondiepe- en diepe deel van het bassin niet wordt overschreden. Ook moet hij zorgen, dat de leerlingen niet met een volle of leege maag of vermoeid in het water komen en dat ze, ontkleed zijnde, ook niet te lang op het droge blijven. Zij mogen zich in 't begin niet langer dan tien minuten in 't water ophouden. Men moet hen opmerkzaam maken, dat, voor zij in 't water gaan, zij armen, borst en hoofd goed nat maken. Gedurende het zwemmen moet steedshet hoofd nat gehouden worden, om hoofdpijn te voorkomen.

De leerlingen moeten voorzien zijn van zwembroek (voor meisjes zwempak en muts) en een handdoek.

B. De gereedschappen, te gébruiken bij het zwemmen.

Thans komt nog het moeilijkste van het zwemonderricht aan, n.1.: den leerling het zwemmen te leeren. Om dit gemakkelijker te maken, laat men hem een zwemvest gebruiken. Ook zijn er hiervoor verschil-

Sluiten