Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

Het redden van drenkelingen en het op wekken van de levensgeesten bij schijndood.

Het is niet alleen noodig dat iemand, die een drenkeling redden wil, zwemmen kan, maar tevens, dat hij bekend is met de eigenschappen van een drenkeling, n.1.: moet hij weten, dat een drenkeling zich aan alles krampachtig vastgrijpt. Een gezegde luidt zelfs, dat een drenkeling zich aan een stroohalm vastklampt. Zou dus een redder rechtstreeks naar den drenkeling toezwemmen, dan zou de laatste hem plotseling aan zijn kleeren of om een lichaamsdeel vastgrijpen en daardoor zouden beiden groot gevaar loopen naar de diepte te verdwijnen, omdat meestal na zoo'n omvatting iedere beweging van den redder onmogelijk wordt gemaakt.

Niet alleen is voor het redden kennis, maar ook veel zelfvertrouwen en groote wilskracht noodig. De koelbloedigheid moet van dien aard zijn, dat de redder tusschenbeiden komt juist op het oogenblik, dat de drenkeling niet meer in staat is den redder gevaarlijk te zijn, want anders kan soms een verkeerde beweging hem in groot gevaar brengen en zelfs het leven kosten. Alleen kinderen beneden de 9 a 10 jaar kan men dadelijk grijpen, omdat hun spierkracht niet groot genoeg is, om een volwassen mensch of een sterken jongeling in zijn bewegingen te belemmeren.

De slechtste dienst, dien men een drenkeling dan ook kan bewijzen, is, onmiddellijk naar hem toe te zwemmen, zoodra hij in het water gevallen is.

Sluiten