Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het hoofd moet nu recht vooruit gehouden worden. Om te weten, hoe diep men zich ongeveer bevindt, is het noodig zich in helder water te gewennen om de oogen open te houden, waar men dan de diepte, naar de schemering van het licht te beoordeelen, kan schatten.

3. Wil men onder het zwemmen den diepen duik uitvoeren, dan worden dezelfde bewegingen gedaan als bij het onderwater zwemmen, met dit verschil, dat men steil of een weinig schuin-benedenwaarts naar den bodem gaat. Om niet met het hoofd tegen den bodem te stooten, worden de armen, zoodra men dicht bij den grond komt, vooruit gehouden. Heeft de leerling den bodem aangeraakt, dan moet hij vlug naar boven komen. Hij plaatst de voeten op den grond en stoot nu krachtig met de beenen af en komt in een rechte houding, daarbij zoonoodig zwembewegingen makende, naar de oppervlakte. Tot oefening late men een bordje, steen of zandzakje in het water werpen om daarnaar te duiken.

4. Het duiken voor het redden van drenkelingen bestaat uit het aanleeren van den „diepen duiksprong". Men plaatst zich met de beide voeten aan den kant van het bassin, springtoren, springplank of op de leuning, zoo, dat de teenen er een weinig overheen steken; men laat het hoofd op de borst vallen, heft de armen in de hoogte, zoo, dat zij langs het gezicht'komen, houdt de handvlakken, waarvan de duimen elkaar raken, naar voren gekeerd, buigt vervolgens min of meer de knieën, ten einde zich te kunnen afstooten (zie fig. 50 uitsl. PI. II). Het bovenlijf helt, terwijl hoofd en armen hunnen stand bewaren, naar voren over, de dijen volgen, en als de voeten het steunvlak verlaten willen, worden plotseling de knieën en de rug gestrekt, en het lichaam schiet met de armen vooruit in de dieDte (zie fig. 51 uitsl. PI. II).

Sluiten