Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het ontblooten van den romp is noodig om goed te kunnen zien, of de maagstreek nog op en neer bewogen wordt. In ieder geval past men bij bewustelooze drenkelingen kunstmatige ademhaling toe. Men gaat op de volgende wijze te werk:

Heeft de drenkeling modder of ander vuil in den mond gekregen, dan zuivert men eerst den mond en neus en wischt met hetzelfde doel alle hoekjes van den mond met een omwikkelden vinger uit. Vat dan de tong, b.v. met een over duim en wijsvinger gespannen zakdoek aan en trek haar goed naar voren over de tanden van de onderkaak. Laat haar door een helper vasthouden en leg met een niet te dun touwtje een mastknoop (zie fig. 34° uitsl. PI. I) om het middelste gedeelte ervan en knoop het in den nek vast. Ook kan men de tong op de onderkin vastklemmen met een doek, dien men eveneens in den nek vastknoopt (zie fig. 58 uitsl. PI. III). Dit is noodig, daar anders de tong door haar eigen gewicht naar achteren valt en zoo de toegang tot de luchtpijp zou afsluiten.

Kan men, doordat de drenkeling de tanden vast op elkaar klemt, de tong niet pakken, dan moet de mond worden geopend, wat op de volgende wijze geschiedt:

Men plaatst de duimen naast den neus en onder de oogen, de overige vingers achter en onder den hoek van de onderkaak en trekt met de vingers de kaak naar voren (omhoog). Vervolgens plaatst men de vingers op de tanden van de onderkaak en opent den mond.

Nadat dit gebeurd is, tracht men het water uit de longen te verwijderen. Men legt hiervoor den drenkeling voorover en plaatst onder de maagstreek een rol kleeren, of men legt met behulp van een ander persoon den drenkeling over een knie.

Bij de eerste manier wordt het hoofd op den onderarm van den drenkeling gelegd, terwijl bij de tweede de redder het hoofd met een hand ondersteunt.

Sluiten