Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de valsprong uit deze houding, waarbij het er op aankomt krachtig achterwaarts te duwen. Verder is vanaf den voorkant van de springplank in volgorde uit deze houding uit te voeren: wenden, flanken, overslaan en spreiden.

Zweefduiken. De „zweefduik", waaraan meestentijds een loop vooraf gaat, geschiedt met afstoot van beide voeten, de armen worden gedurende het zweven in de lijn van de schouders en even voor het in het water komen omhoog gebracht, zoodat het eerst de handen hiermede in aanraking komen. (Zie de teekening.)

Deze zelfde sprong is ook zoodanig te maken, dat de armen, na zijwaarts te zijn gebracht, weer terugkeeren tot de aan de zijde aangesloten houding. Zoo zal nu het hoofd het eerst met het water in aanraking komen.

De keizerduik is die, waarbij de armen bij den afstoot en gedurende de begin-periode van het zweven over de borst gekruist zijn. Even voor het in 't water komen worden de armen omhoog gebracht.

De snoekduik is die, waarbij loodrecht wordt opgesprongen, terwijl tijdens het zweven de handen aan de voeten der gestrekte beenen worden gebracht. Daarna zijn het de beenen, die de rechte lijn met het voorover gebogen bovenlichaam herstellen.

Salto's. Met eenige salto's willen wij onze sprongen besluiten. Wij verwijzen gaarne naar zoovele Duitsche Handleidingen over waterspringen en verder naar de tabel van den N. Z. B.

De salto voorover, waarbij de gestrekte beenen flauw in de heupen gebogen zijn, is uitvoerbaar uit den stand, met aanloop, en zwevend met aanloop.

De achterwaartsche salto wordt uitsluitend uit den stand beoefend, 't Ts eveneens het maken van een heele

Sluiten