Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De juiste houding der handen bij het zitten aan het begin van den slag is aldus:

De binnenhand (bij bakboord-roeiers de rechter, bij stuurboord-roeiers de linker) omvat het handvat met den duim om den riem en de andere vingers zóó, dat de riem in de palm van de hand rust. Daarbij moet de pols in één lijn liggen met de bovenzijde van den onderarm, dus niet naar boven en niet omlaag gebogen.

De buitenhand rust met alle vingers boven den riem, zoodat de riem daarin gemakkelijk kan draaien. De pols heeft ook dezelfde houding als die van de binnenhand.

De afstand van de beide handen, waarvan de buitenhand juist aan het einde van het handvat van den riem grenst, houdt men in den regel op één handbreedte.

Bij het doorhalen van den riem, die een boog beschrijft, is het duidelijk, dat zich de hoek, dien het polsgewricht maakt met den onderarm, wijzigt. In het begin liggen arm en pols in één rechte lijn.

Wanneer de arm wordt gebogen, moet de pols zich aan de veranderde opstelling aanpassen, zóó, dat palm en knokkels op dezelfde plaats kunnen blijven en met hen het blad van den riem den¬

zelfden hoek vormen met het * Wateroppervlak.

Om dit te bereiken moeten de polsen gebogen worden, niet alleen naar boven, doch ook zijwaarts. De ellebogen toch, staan bij het passeerén van de ribben wijder uitéén dan in de gestrekte houding

bij het begin van den slag. En daar de handen den riem niet vasthouden op een wijdte van het lichaam op de hoogte van de ribben, is er maar één uitweg

Fig. 7. Goede houding van armen en polsen aan het eind van den slag.

Sluiten