Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zóó, dat de handen, die zich bij het einde van den slag ter hoogte van de borst bevinden, vallen tot maaghoogte. Het strekken van de armen geschiedt, terwijl het handvat van den riem in hetzelfde vlak wordt gehouden, een vlak, dat steeds even hoog boven en evenwijdig aan het wateroppervlak is. Dus vooral niet het handvat in schuine lijn omlaag drukken of naar boven brengen. Even vóór het inpikken worden eerst de armen even omhoog gelicht om het water te grijpen.

Is de roeier hiermede goed vertrouwd gemaakt, dan leert men hem het draaien van den riem.

Na het neerdrukken van den onderarm, worden de polsen uit den omhoog gerichten stand, waarin ze zich nog steeds bevinden, omlaag gedrukt. Het blad van den riem draait daardoor uit den loodrechten stand evenwijdig aan het water. Na het weggooien der armen draait men de polsen gedurende den zwaai weer zóó, dat ze in een rechte lijn komen met de armen. Men ziet daardoor het blad van den riem langzaam weer terugdraaien in den loodrechten stand en zoodra de nieuwe slag gemaakt moet worden, is de riem klaar om door oprichten der armen te worden ingezet.

Heeft men den pols op het oogenblik van den inzet teveel omhoog gebogen, dan is het blad van den riem voorover gebogen. Men mist zijn inzet en slaat over het water.

Is de pols teveel omlaag, dan slaat het blad van den riem achterover en men slaat te diep en de riem wordt onder water omlaag getrokken, met het gevolg van een absoluut verloren en verknoeiden doorhaal, die meestal verkeert in een „snoek".

De hiernevenstaande teekeningen geven een duidelijk beeld van den weg, dien het blad van den riem volgt bij de goede en de verkeerde polshoudingen.

Sluiten