Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed te begrijpen, denke men zich een oogenblik in een sloep, liggende in stilstaand water. Staande aan den boeg, zal men gewaar worden, dat, zoodra men zich beweegt naar de stuurplaats toe, de boot een tegengestelde beweging maakt, en wel ongeveer evenver als de verplaatsing van den persoon in de boot, indien de gewichten van man en boot ongeveer gelijk zijn.

Houdt de beweging in de boot op, dan staat ook het vaartuig onmiddellijk stil. Gaat men terug, dan wordt de boot daardoor weer op haar vroegere plaats teruggebracht. De wrijvingsweerstand van het water kan hier buiten beschouwing gelaten worden.

Een roeiboot beweegt zich dus in tegenovergestelde richting met de lichaamsverplaatsing der roeiers en wel in omgekeerde verhouding van de gewichten. Het maakt natuurlijk geen onderscheid, of de boot stil ligt, dan wel vaart heeft; in het laatste geval doen zich de bewegingsinvloeden voor als versnellingen of vertragingen.

Bij een wedstrijdgiek is dit nog meer merkbaar, daar het gewicht van het vaartuig in verhouding met de massa der roeierslichamen, zeer gering is. In een vierriemsgiek is deze massa aan te nemen op ca. 360 KG tegen 60 KG bootgewicht. Aangenomen kan dus worden, dat, indien de ploeg het gewicht verlegt, de boot denzelfden weg in tegengestelde richting aflegt. Bij het uittrappen van de glijbank wordt de giek dus over de geheele lengte der loopers teruggedrukt, en omgekeerd bij het terugrijden naar voren gebracht. Heeft de boot vaart, dan wordt deze bij de eerste beweging vertraagd, bij de tweede versneld.

Tijdens de twee tempo's van den slag, het eerste het rijden met gestrekte armen, het tweede de doorhaal, uitpik, het opkomen uit den doorge-

Sluiten