Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijkheid van gewicht van stuur- en bakboordroeiers niet te worden gelet; anders wel. Een klein verschil van ettelijke kilo's biedt daarbij geen onoverkomelijk bezwaar.

De zwaarste roeiers zet men bij voorkeur in het midden, dus op 2 en 3, de lichtere op boegen slagplaats. Vooral een lichte boeg is van veel waarde. Daar lichtheid echter meestentijds gepaard gaat met een kort lichaam, gaat de keuze van boeg niet zóó ver, dat men, koste wat het wil een licht persoon zou nemen, die te kort van slag is, voor één, die zwaarder is, doch een langeren slag behoorlijk kan meemaken.

De slag, No. 4, moet iemand zijn, waarvan bezieling uit kan gaan. Hij moet een soepel, goed roeier zijn, als het kan sterk, doch dit is geen absoluut vereischte. Regelmaat en gevoel voor rhythme moet den slagroeier als aangeboren zijn. Hij moet weten te roeien in een langzaam tempo, moet kunnen versnellen en kunnen opvoeren tot een tempo, noodig om den wedstrijd te winnen.

Wijzigingen in het tempo moet hij geleidelijk aan kunnen geven, zoodat No. 3 hem direct kan volgen, en beide boorden zoodoende geen ongelijkheid vertoonen.

Een goede slagroeier roeit met zijn hersens. In figuurlijken zin is dit zoo, want hij dient onder een wedstrijd te beoordeelen, wanneer hij met succes een aanval op zijn concurrent, die naast hem roeit, kan doen, of wanneer hij zijn mannen kan sparen voor een volgende race, indien hij meent den wedstrijd in handen te hebben.

Stuurman en slag zijn de denkende menschen in de boot, en hoe moeilijk het is om goed te blijven roeien, terwijl nog andere zaken de aandacht vergen, kan een ieder voor zichzelven wel eens uitmaken.

In een vier zonder stuurman, stuurt een der

Sluiten