Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet zelden weert een worstelaar in staande houding zich. door gebruikmaking der ellebogen. Deze minderwaardige handelwijze moet niet worden toegestaan. Een amateur worstelaar die de Gr. R. worstelkunst beoefent, moet uitgaan van het denkbeeld, dat de grepen gemaakt moeten worden met de handen en dat gebruikmaking van ellebogen, zonder dat de handen het lichaam van zijn tegenstander grijpen niet kan worden toegestaan.

Bij de toepassing van den armzwaai, in onder- of bovengreep mag nimmer de gegrepen pols door den aanvaller worden omgedraaid.

Tijdens den aanval zal een dergelijk omdraaien nimmer worden uitgevoerd, doch juist terwijl het lichaam naar de mat wordt gebracht, wordt er meerdere malen gebruik gemaakt van de door den verdediger te nemen tegen-maatregelen om den pols te draaien.

De heupzwaai behoort zoo uitgevoerd te worden, dat de aanvaller nimmer plaats kan nemen tusschen de voeten van zijn tegenstander. Het lichaam van de tegenpartij moet immer met de rechter- of linkerzijde boven het heupgewricht van den aanvaller komen te liggen; op bovenstaande wijze toegepast is er geen sprake van het zoogenaamde .pootje draaien" en .beentje lichten". Bij goed uitgevoerden aanval is de heupzwaai in een groot aantal gevallen onfeilbaar. Het tegendeel bewijst alleen, dat het lichaam van den verdediger eerder naar de mat wordt gedrukt dan het behoorlijk plaatsen der voeten door den aanvaller; m.a.w. wanneer de greep mist, is dit een bewijs van verkeerd aanleggen.

De toepassing van de dubbele oksel-nekgreep moet zoo geschieden, dat de verdediger zijwaarts uit den greep kan komen. — Daarom is het niet geoorloofd dat de kruin van den onderman bedekt wordt met beide handen van den aanvaller, ten doel hebbende het hoofd met kracht naar de mat te brengen, doch moet de hals als steunpunt benut worden voor de hefboom, teneinde het ademen niet te beletten; de aanvaller mag niet achter het lichaam en tusschen de beenen van zijn partij plaatsnemen, aangezien hij bij eene eventueele flinke lichaamslengte van den onderman, genoodzaakt wordt een zijner beenen op te lichten en te drukken tegen het onderlichaam zijner tegenpartij.

Wordt de greep op deze wijze toegepast, dan zit de verdediger in een klem, waarin groot gevaar bestaat voor lichamelijke pijn.

Om den middelgreep achterwaarts om het voorgebogen lichaam te kunnen voltooien moet door den aanvaller worden zorg gedragen, dat zijn tegenpartij, liggende op des aanvaller's schouders, langzaam met het hoofd omlaag naar de mat wordt gebracht. — Daartoe is het noodig, dat gedurende het naar de mat brengen, de aanvaller in knielende houding overgaat, waarna het lichaam van zijn tegenstander over zijn knie naar de mat schuift.

Sluiten