Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij hebben tot nu toe aangenomen, dat de aarde bolvormig is. Zij is dit echter niet volkomen.- Newton toonde reeds op theoretische gronden aan, dat de'aarde aan de polen afgeplat moet zijn. Hij vond, dat de aarde den vorm heeft van een lichaam, ontstaan door de wenteling van een ellips om hare kleine as. Men noemt zoo'n lichaam sphaeroïde.

Wanneer de aarde als sphaeroïde beschouwd wordt, dient de bepaling van de breedte van een plaats op aarde, zooals die hiervoor werd gegeven, gewijzigd te worden. Men onderscheidt dan geografische- en geocentrische breedte.

De geografische breedte van een plaats op aarde, is de hoek, dien de verlengde normaal maakt, met het vlak van den equator.

De geocentrische breedte van een plaats op aarde, is de hoek, welke de aardstraal van die plaats maakt met het vlak van den equator.

In Fig. 3 waarin OT, loodrecht op de raaklijn HH', de normaal in O voorstelt, en OM de aardstraal van O, is dus <p de geografische- en <p' de geocentrische breedte van O. Uit de figuur

Fig. 3.

is duidelijk dat de geogr. breedte altijd, grooter is dan de geocentr. breedte. Alleen aan de polen zijn beide breedten = 90° en voor plaatsen aan den equator = 0°. De betrekking tusschen beide

breedten vindt haar uitdrukking in de formule tang <p' — —%tg <p,

waarin a den equatorstraal en b den poolstraal voorstelt. Naar deze formule is Tafel XLIV berekend. Uit deze Tafel blijkt dat <p — <p' het grootst is op 45° breedte. Voor <J> = 45° is <p—<p'= 11'30".

Uit de figuur blijkt nog dat het verschil tusschen geogr.- en geocentr. breedte, gelijk is aan den hoek dien de normaal en de straal van de plaats met elkaar maken.

Indien de aarde een bol was, moest de lengte van één graad van een meridiaan, waar ook gemeten, steeds dezelfde zijn, maar

Sluiten