Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als de aarde afgeplat is, moet die lengte grooter worden, naarmate men de pool nadert.

Dit blijkt uit het volgende:

In Fig. 4 stellen TA en TB de normalen voor in de punten A en B, gelegen op een zelfden meridiaan van d.e afgeplatte aarde.

De hoeken ACE en BDE zijn dus de geografische breedten van de punten A en B. Nemen wij nu aan, dat de punten A en B 1° in breedte verschillen dan is /_F— 1°, want £F= /_BDE—/ ACE. Naarmate men nu op hooger breedte komt, wordt de kromming van den elliptischen meridiaan minder. Bij een zelfde lengte van den boog zullen dus op hoogere breedte de verlengde normalen elkaar niet zoo spoedig snijden en dus een kleineren hoek maken dan op lagere breedte. Omgekeerd zal men op hoogere breedte denzelfden hoek van één graad slechts verkrijgen door de normalen te trekken in de uiteinden van een grooteren boog bijv. A'B'. Is dus /_F=\° dan zal A'B'> AB zijn.

• .' Fig. 4.

Die vermeerdering der lengte van een graad van den meridiaan, naarmate men op hooger breedte komt, heeft men werkelijk bij de graadmetingen waargenomen.

Was bij de bolvormige aarde één graadmeting voldoende om tot de kennis van de grootte te geraken, bij de aarde in den vorm eener sphaeroïde zijn daartoe minstens twee graadmetingen noodig, één op lagere en één op hoogere breedte.

De verschillende -graadmetingen in den loop der vorige eeuw verricht geven uitkomsten, die allen min of meer uiteenloopen. Volgens Bessel is de

halve groote as = 6377397 M. „ kleine „ =6356079 „ 1

afplatting = "209.

Omtrek equator =40070368 M. meridiaan = 40003423 „

Sluiten