Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt alleen aan wal gebruikt. In Tafel XXXVIII vindt men behalve de afmetingen der aarde, nog verschillende opgaven die voor den zeeman van belang zijn.

V. GLOBEN EN KAARTEN.

Om zich een voorstelling te maken van de oppervlakte der aarde, gebruikt men globen en kaarten.

De globen geven getrouwe afbeeldingen doch om bizondèrheden met juistheid daarop aan te geven , zouden zij voor de praktijk te groote afmetingen moeten verkrijgen. Men neemt daarom voor bizondèrheden zijn toevlucht tot kaarten.

Een kaart is een afbeelding van een deel van de aardoppervlakte op een plat vlak.

Het net van een kaart is een stelsel van meridianen en parallellen, waarin de afbeelding van een deel der aardoppervlakte wordt gegeven.

Landkaarten geven meer bizondèrheden aan van het binnenland, terwijl, hetgeen voor den zeeman van belang is, daarop slechts zeer oppervlakkig wordt aangegeven. Daarenboven tracht men op de landkaarten meer de juiste afmetingen der verschillende deelen af te beelden en bezigt dan verschillende projectiën, waarbij de meridianen en parallellen veelal als kromme lijnen worden voorgesteld.

Zeekaarten daarentegen behandelen het binnenland meer oppervlakkig en geven alle bizondèrheden van kusten, uit zee zichtbare bergtoppen en kenbare punten, banken, klippen, vuurtorens, lichtschepen, boeien, loodingen, soort van grond, landverkenningen, kompasrozen enz. (Zie verder blz. 15.)

Een hoofdvereischte bij zeekaarten is, dat men de koerslijn, d. i. de richting, waarin het schip zich beweegt , en de' verheid, d. i. de afgelegde weg, op gemakkelijke wijze in de kaart kan afzetten en meten.

De ware koershoek of ware koers is de hoek, dien de koerslijn maakt met den meridiaan. Deze hoek moet bij alle meridianen even groot blijven, zoolang de koers niet verandert, zoodat de koerslijn een lijn is van dubbele kromming, welke men loxodroom of zeiltrek noemt.

De loxodroom is een lijn, op de oppervlakte der aarde getrokken, zoodanig, dat zij gelijke hoeken maakt met de.meridianen.

Om nu een koerslijn gemakkelijk in de kaart te zetten, moet zij door een rechte lijn kunnen worden voorgesteld, en daartoe moeten dus de meridianen rechte lijnen zijn, die evenwijdigloopen. Mèn kan dus een zeekaart bepalen als een kaart, waarvan het net gevormd wordt door rechte evenwijdige lijnen als meridianen, rechthoekig gesneden door rechte evenwijdige lijnen die de parallellen voorstellen. ;'-

Uit deze bepaling vloeit al dadelijk voort, dat de zeekaarten de aarde voorstellen op een wijze, die veel afwijkt van hare ware gedaante, daar de meridianen, die op aarde in de polen samen-

Sluiten