Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopen, op de zeekaarten steeds denzelfden afstand van elkaar behouden , terwijl de parallellen, die op aarde naar de polen toe steeds kleiner worden, op de kaart evengroot blijven. De aarde wordt daarop dus voorgesteld j als had zij een cilindervormige gedaante.

De pogingen, om op zulke kaarten toch de daarop geteekende deelen der aarde voor te stellen door figuren, zooveel mogelijk overeenkomende met de werkelijkheid, hebben aanleiding gegeven tot twee soorten van zeekaarten, de Middelbreedte- en de Wassende kaarten.

Middelbr. kaarten zijn kaarten, waarop de'breedtegraden, even als op de bolvormige aarde het geval is, een standvastige grootte hebben, terwijl de graden der parallellen allen zoo groot zijn als zij op de middelste parallel der kaart behooren te wezen. Als men dus een middelbr. kaart moet hebben, die zich aan weerszijden even ver van den equator uitstrekt, is de equator de middelparallel en de parallelgraden moeten dus even groot worden als de breedtegraden. Het net, waarin de kaart in dat geval geteekend moet worden, wordt gevormd door twee onderling loodrechte stelsels van evenwijdige lijnen, allen op gelijke afstanden van elkaar getrokken. Men noemt de kaart dan een Platte kaart.

Moet de kaart een ander gedeelte van de aarde, voorstellen, dan begint men met de middelbreedte te zoeken, d.i. men neemt de halve som der beide uiterste breedten, als zij gelijknamig zijn, en haar halve verschil, als zij ongelijknamig zijn.

Men neemt nu een zekere maat aan voor de lengte van een graad van een grootcirkel (op de bolvormige aarde natuurlijk allen even groot), en maakt de .breedtegraden van het net daaraan gelijk; de afmeting van een parallelgraad van het net wordt dan gevonden, door de lengte van den grootcirkelgraad op de kaart te vermenigvuldigen met den cosinus van de middelbreedte; wij kunnen toch bewijzen, dat een graad van een parallel op de bolvormige aarde gelijk is aan een graad van den equator, vermenigvuldigd met den cosinus van de breedte dier parallel.

Zij daartoe in fig. 5 AB de straal van een parallel op willekeurige breedte, dan is AB = AM \ cos BAM.

AB=MQ X cos AMQ. 2x X AB = 2tt X MQ cos AMQ. Omtrek parallel = Omtrek equator X cos breedte, of na deeling door 360 1° parallel = 1° equator X cos breedte.

De middelbreedte kaart is een kaart waarin de breedtegraden allen gelijk zijn aan een graad van den equator, terwijl de parallelgraden gelijk zijn aan een graad van den. equator maal de cosinus van de middelbreedte.

Uit het voorgaande blijkt nu, dat de parallelgraden van het net alleen goed zijn op de middelparallel; op hoogere breedte zijn zij te groot en op lagere breedte te klein.

Wil men bijv. het net van een middelbr. kaart maken tusschen 4° en 8° Nb. en kiest men voor de lengte van een grootcirkelgraad 1 dM., dan is de middelbreedte 6° en wordt de afmeting van een

Sluiten