Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooruit gegaan, indien het zich gedurende een uur met dezelfde snelheid had bewogen.

Om nu niet telkens het uitgeloopen deel der lijn op nieuw te moeten meten, is de loglijn van merken voorzien. De afstand tusschen twee merken of knoopen wordt zoodanig genomen, dat men uit het aantal uitgeloopen knoopen terstond .zien kan, hoeveel zeemijlen het schip in een uur loopt. Als het loggiaasje 15 secunden loopt, bepaalt men den afstand der merken aldus:

Bij éénmijlsvaart doorloopt het schip in één uur één zeemijl , 1852 . 1K ,

of 1852 M., dus in één secunde M. en in 15 secunden

3600 '

De merken van de loglijn bestaan uit eindjes lijn met knoopjes; voor 1 mijl 1 knoopje, voor 2 mijlen 2 knoopjes enz. en tusschen die hoofdmerken in heeft men eindjes lijn zonder knoopjes voor de halve mijlen.

Loopt het schip weinig vaart > dan kan men een loggiaasje van 30 secunden gebruiken, en moet de door de log aangegeven vaart natuurlijk door twee gedeeld worden.

Somtijds worden ook loggiaasjes van 14 s. en 29 s. gebruikt.

Om het logplankje zoo onbewegelijk .mogelijk in het water te laten, geeft men het den vorm van een cirkelsector van ongeveer 50°, met een straal van ongeveer 2 d.M.; de boog is met lood bezwaard, zoodat het plankje in vertikalen stand tot op 2 a 3c.M. ondergedompeld blijft. De loglijn is zoodanig met een hanepoot aan het plankje bevestigd, dat dit bij het uitloopen der loglijn voortdurend zijn platte zijde naar het schip gekeerd houdt. Twee parten zijn ter plaatse waar zij samen komen, voorzien van een kokertje, waarin het pennetje gestoken wordt, dat aan de loglijn is bevestigd.

Om te zorgen, dat men het uitgeloopen gedeelte der loglijn pas zal gaan rekenén, wanneer het plankje vrij is van het kielwater van het schip, meet men van het plankje op de lijn een zeker gedeelte af, en merkt dit punt met een lapje vlaggendoek. Het gedeelte der loglijn van het plankje tot het lapje vlaggendoek heet voorloop. Van het lapje vlaggendoek af, worden de merken op de loglijn afgezet. Op een zeilschip geeft men den voorloop gewoonhjk een lengte gelijk aan de grootste breedte vermeerderd met den diepgang van het schip. Op een groot schroefstoomschip moet de voorloop langer zijn, bijv. 50 M. lang, om het logplankje vrij te doen blijven van het door de schroef in beweging gebrachte water.

Deze log is een vrij onvolkomen hulpmiddel. "Wind en zee zullen toch oorzaak zijn dat het logplankje niet op dezelfde plaats bljjft eh bochten in de loglijn hebben ook tot gevolg dat het gedeelte uitgeloopen lijn, niet gelijk is aan den door het schip afgelegden weg. Men heeft dan ook tal van soorten uitgedacht, ten einde meer nauwkeurigheid in het meten van den afgelegden weg te

Sluiten