Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergroot zijn als de verheid in de kaart. De mate dier vergrooting voor elke willekeurige breedte wordt uitgedrukt in den staanden rand van de kaart. De afstand tnsschen twee punten in de kaart wordt dus op de volgende wijze gemeten:

Men neemt ter hoogte van de middelbreedte tusschen de twee bedoelde punten b.v. vier minuten van den staanden rand tusschen de beenen van een passer, en past met deze passeropening den afstand af, langs de rechte lijn die de beide punten vereenigt. Is de afstand niet te groot, dan kan men dien ook tusschen de beenen van een passer nemen en afpassen op den staanden rand, daarbij zorgende dat het midden der passeropening overeenkomt met de middelbreedte tusschen de beide plaatsen. Voor zeer groote afstanden, waarbij men veel van breedte verandert, verdeelt men die in een zeker aantal stukken. Ieder stuk wordt dan afzonderlijk op de hiervoor genoemde wijze gemeten.

De volgende manier om een verheid op de wassende kaart te meten werd door Mercator zelf aangewezen: Pas op den staanden rand der kaart het breedteverschil tusschen A en B af. Neem zooveel minuten van den liggenden rand (equatorminuten) tusschen de passer, als het aantal minuten breedteverschil bedraagt en zet het op een der meridianen af, van den liggenden rand te beginnen; trek door het op dien meridiaan verkregen punt een lijn evenwijdig aan de koerslijn tusschen A en B, dan is de lengte dier lijn tot aan den liggenden rand der kaart, uitgedrukt in equatorminuten, gelijk aan de verheid tusschen A en B. Deze methode is natuurlijk in beginsel juist, maar kan niet worden toegepast als de koerslijn tusschen de beide punten Oost-West loopt en de kans op onnauwkeurigheid van de meting wordt grooter, naarmate de koers dichter bij Oost of West valt.

Past men den afstand tusschen twee plaatsen op een zelfde parallel gelegen op den staanden rand af, dan krijgt men de verheid of afwijking. Die zelfde afstand op den liggenden rand gemeten geeft de veranderde lengte. De afstand tusschen twee punten op een zelfden meridiaan gelegen, geeft verheid of veranderde breedte als op den staanden rand wordt gemeten en Y?—\3' als men op den liggenden rand meet.

Neemt men van twee willekeurige plaatsen den loodrechten afstand van hunne parallellen tusschen de passerpunten, dan geeft afpassing op den staanden rand de A b. en afpassing op den liggenden rand \?—*\B'. De loodrechte afstand hunner meridianen geeft op den staanden rand gemeten de afw. en op den liggenden rand A L.

Bij een middelbr. kaart moet de verheid ook op den staanden rand worden gemeten, doch nu behoeft men niet te letten op welke breedte dit geschiedt, daar de meridiaanminuten van een middelbr. kaart alle even groot zijn. Past meh een deel van een parallel op den liggenden rand af, dan krijgt men AL., want de afstand wordt dan uitgedrukt in parallelminuten, en een paralleldeel bevat natuurlijk evenveel parallelminuten, als het overeenkomende equatordeel, equatorminuten.

Sluiten