Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden getrokken waarop het schip zich moet bevinden. Heeft men dan een bekend punt gepeild, liefst zoo na mogelijk in de richting van het waargenomen«, hemellichaam, of daaraan tegengesteld , dan geeft het snijpunt van hoogtelijn en peilingslijn de standplaats van het schip.

In het bizonder geval dat het waargenomen hemellichaam zich boven het Oosten of Westen bevindt, valt de hoogtelijn samen met een . meridiaan en dan noemt men deze methode peiling op lengte.

Als het waargenomen hemellichaam zich boven het Noorden .of Zuiden bevindt, valt de hoogtelijn samen met een parallel en heet de methode peiling op breedte.

7°. Door het problema van Snellius.

De standplaats van het schip kan met groote nauwkeurigheid bepaald worden door het meten van twee aan elkaar grenzende hoeken tusschen drie in ligging bekende punten.

Wanneer in Fig. 19, A, B en C drie bekende landpunten voorstellen en S de standplaats van het schip, dan worden met den sextant de hoeken ASB en BSC gemeten. Door middel van die beide hoeken kan dan de standplaats van het schip door constructie in de kaart bepaald worden. Op de lijn AB wordt n.1. een cirkelsegment beschreven dat de /_ASB bevat en op BC een cirkelsegment de /_BSC bevattende.

Fig. 19.

De constructie van deze cirkelsegmenten kan op eenvoudige wijze aldus geschieden: Door middel van een transporteur (graadboog) trekt men een lijn AF die met AB een hoek maakt gelijk aan het complement van den gemeten hoek ASB. Deel AB rechthoekig midden door, dan is het snijpunt M der lijnen AF en DE, het middelpunt van een der cirkels. Door BC rechthoekig midden door te deelen en hoek BCN gelijk te maken aan het complement van den gemeten hoek BSC, krijgt men het middelpunt N van den

Sluiten