Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweeden cirkel. Het snijpunt S der cirkels is de standplaats van den waarnemer.

Beschikt men niet over een graadboog, dan kan men als volgt handelen:

Deel AB rechthoekig midden door en pas verheid AD=1/2AB op de kaart af. Uit de formule AD=AMcos /_DAM— AM sin /_ASB kan de verheid AM bijv. met behulp van den streektafel gemakkelijk bepaald worden. Bij afw. = AD en koers ■=,/ ASB vindt men in de kolom verheid AM. Beschrijf vervolgens uit A met AM als straal een cirkelboogje dat de lijn DE snijdt, dan is M weer het middelpunt van één der cirkels. Voor den anderen cirkel handelt men op gelijke wijze;

Omtrent de ligging der drie landpunten A, B en C het volgende: Wanneer van uit de standplaats van den waarnemer S, de lijnen AB en BC een uitspringenden hoek vormen, .zooals in Fig. 20 het geval is, dan bestaat de kans dat £ op den omtrek ligt van den cirkel gaande door de punten A, B en C. In dat geval geven de

Fig. 20.

A\

beide cirkels geen snijpunten daar zij elkaar bedekken. Ligt de standplaats niet op, doch nabij den omtrek van de cirkel die door de drie punten gaat, dan zullen de cirkels elkaar zoodanig snijden, dat de raaklijnen aan de cirkels in het snijpunt elkaar onder een zeer scherpen hoek snijden, hetgeen ongunstig is voor de plaatsbepaling. Het is dus raadzaam de drie landpunten A, B en C, indien mogelijk, zoodanig te ki ezen dat van uit de standplaats de lijnen AB en BC een inspringenden hoek, als in Fig. 19, of een gestrekten hoek vormen, aangezien de standplaats dan onmogelijk op of nabij den cirkelomtrek A, B en C kan liggen. Dit neemt niet weg dat men ook bij een uitspringenden hoek gunstige snijding der cirkels kan verkrijgen, wanneer S óf ver binnen, zooals in Fig. 20, óf ver buiten den cirkel ligt, die door de drie punten gaat.

Ook bij een inspringenden boek zal de snijding der beide cirkels ongunstig kunnen zijn, wanneer, zooals in Fig. 21, het middelste der drie landpunten dicht bij de kust en niet ver van de standplaats

Sluiten