Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het amplitudo wordt gerekend van 0° tot 90° en is gelijknamig met de declinatie. Equator en horizon toch snijden elkaar in het O. en W. Een hemellichaam, dat Noorder-declinatie heeft, bevindt zich dus ten Noorden van deze punten bij opkomst en ondergang. Een hemellichaam met Zuider-declinatie zal bezuiden die punten opkomen en ondergaan.

De schijnbare horizon van een waarnemer op aarde is het vlak, dat door het oog van den waarnemer evenwijdig aan den waren horizon getrokken wordt.

In Fig. 32 stélt AB een waarnemer op aarde voor, WH den waren horizon, SH' den schijnbaren horizon van AB l).

Fig. 32.

Wanneer men uit het oog van den waarnemer AB de gezichtslijn BK, rakend aan het oppervlak der aarde, rond beweegt, dan snijdt het daardoor ontstaande kegelvlak de sfeer volgens een cirkelomtrek, de ware kim genoemd. Als er geen dampkring was, zou de cirkelomtrek CD voor den waarnemer AB de grens zijn van het zichtbare gedeelte van de aardoppervlakte. Er is echter een dampkring en nu, zal het verst verwijderde punt der aardoppervlakte, waarvan een lichtstraal het oog van den waarnemer nog kan bereiken bijv. een punt E zijn. Die lichtstraal wordt gébroken door de luchtlagen van verschillende dichtheid, die hij passeert en het punt E zal gezien worden in de richting van de raaklijn BK', uit B aan den gebogen lichtstraal getrokken. Beschrijft men nu met BK' een kegelvlak, dan noemt men den daardoor ontstaandeh cirkelomtrek aan de sfeer, de schijnbare kim. Deze cirkelomtrek schijnt samen te vallen met de grens van het, voor den waarnemer AB, zichtbare gedeelte der aardoppervlakte.

1) In verband met de geringe hoogte van het oog van den waarnemer boven het oppervlak der aarde, maakt het geen onderscheid of wij het vlak van den schijnbaren horizon ons gebracht denken door het oog B of door den voet A van den waarnemer.

Sluiten