Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. NADERE BESCHOUWING VAN DE BANEN, DOOR DE HEMELLICHAMEN SCHIJNBAAR DOORLOOPEN.

Zij eA, Fig 34 de breedte van een waarnemer A op aarde, dan bevat de boog ET aan de sfeer het zelfde aantal graden als boog eA. De boog ET noemt men de hemelbreedte van de plaats A op aarde.

De hemelbreedte van een plaats op aarde is de afstand van den hemelequator tot het toppunt der plaats gemeten langs den hemelmeridiaan der plaats.

De boog ET=boog PN, omdat beide bogen TP als complement hebben. De hoogte van de hemelpool boven den waren horizon van een plaats op aarde, is gelijk aan de hemelbreedte van die plaats. Men zegt gewoonlijk kortweg, poolshoogte is gelijk breedte.

j, _. De stand van de

pool boven den horiX zon verandert der¬

halve met de breedte van den waarnemer, en, daar de banen, door de hemellichamen dagelijks schijnbaar doorloopen, alle evenwijdig zijn aan N den equator, zal de stand dier banen ook veranderen met de breedte.

Voor een waarnemer aan den equator valt de hemelpool in den waren horizon, de equator staat dus loodrecht op den horizon en men ziet aan den equator alle hemel¬

lichamen banen beschrijven loodrecht op den horizon. Men zegt daarom: aan den equator heeft men de loodrechte sfeer.

Aan de pool, dus op 90° breedte, heeft een waarnemer de hemelpool in top, dus valt aan de pool de ware horizon samen met den hemelequator. De dagelijksche banen der hemellichamen zijn dus evenwijdig aan den waren horizon; aan de pool heeft men derhalve de evenvüijdige sfeer.

Tusschen equator en pool heeft men schuine sferen. De hoek, dien de banen der schijnbare dagelijksche beweging met den waren horizon maken, is gelijk aan den hoek, gevormd door equator en horizon, dus gelijk aan het complement der breedte van den waarnemer op aarde.

Fig. 35 is de voorstelling van de sfeer, zooals die zich aan een

Sluiten