Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarnemer op ongeveer 30° Noorder breedte vertoont; de hemelpool boven den horizon staat dan boven het Noorden. Alles, wat beneden den waren horizon, ZWNO ligt, is voor dien waarnemer onzichtbaar, als men de ooghoogte nul stelt. De aarde wordt voorgesteld door het middelpunt M.

Beschouwt men nu een hemellichaam, waarvan de declinatie nul is, dan valt de 'baan der schijnbare dagelijksche beweging samen met den equator. Het hemellichaam heeft in 't Oosten zijn punt van ware opkomst, in E bereikt het zijn grootste (meridiaans) hoogte en het heeft in 't Westen zijn punt van waren ondergang. Het gedeelte van de baan boven den horizon, dagboog geheeten, is dan juist gelijk aan het gedeelte beneden den horizon, nachtboog genoemd. Een hemellichaam dus, waarvan de declinatie nul is, blijft even lang beneden als boven den waren horizon. Dit is natuurlijk voor waarnemers op alle breedten het geval; alleen voor waarnemers aan de polen blijft het hemellichaam met zijn middelpunt in den waren horizon.

Bij de loodrechte sfeer is van elk hemellichaam de dagboog gelijk aan den nachtboog en is het ware amplitudo bij aankomst en ondergang gelijk aan de declinatie van het hemellichaam.

Heeft een hemellichaam declinatie die gelijknamig is met de breedte van den waarnemer, dus in Fig. 35, Noorder declinatie, dan komt dat hemellichaam benoorden het Oosten, bijv. in A op, ZB is dan de ware meridiaanshoogte, C het punt van waren ondergang. B noemt men het punt van bovendoorgang of culminatiepunt, D het punt van benedendoorgang. Het ware amplitudo bij opkomst OA, en het ware amplitudo WC bij ondergang zijn Noord." De dagboog is nu grooter dan de nachtboog.

De dagboog van een hemellichaam is grooter dan de nachtboog als de declinatie gelijknamig is met de breedte van den waarnemer.

In Fig. 35 heeft men het hemellichaam S' Zuider declinatie, de waarnemer bevindt zich op Noorderbreedte en zooals uit de Figuur blijkt is de dagboog van S' kleiner dan de nachtboog.

De dagboog van een hemellichaam is kleiner dan de nachtboog als de declinatie ongelijknamig is met de breedte van den waarnemer.

De poolsafstand van een hemellichaam is de afstand van den hemelpool die boven den horizon is, tot het middelpunt van het hemellichaam, gemeten langs den declinatiecirkel gaande door het middelpunt van het hemellichaam.

De poolsafstand van het hemellichaam S, Fig. 35, is kleiner dan de breedte of poolshoogte PN van den waarnemer. Het hemellichaam S blijft dientengevolge boven den horizon en is dus circumpolair boven den horizon.

Een hemellichaam is circumpolair boven den horizon, als de poolsafstand van het hemellichaam kleiner is dan de breedte van den waarnemer.

Men kan ook als bepaling geven:

Een hemellichaam is circumpolair boven den horizon, als de gelijknamige declinatie van het hemellichaam grooter is dan het complement der breedte van den waarnemer.

Sluiten