Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedeeld, de overschietende minuten met 4 vermenigvuldigd, dan heeft men secunden tijd; de secunden boogs worden door 15 gedeeld.

Voorbeelden.

1. Een boog van 87°47'20" tot tijd te herleiden.

87° =— + 12 X 4m = 5u48m

47' =T5 4- 2X4'= 3»8'

87°47'20" = 5u51m98,3

Een ster doorloopt dus een boog van 87°47'20" in 5n51m98,3 sterrentijd.

De middelbare zon doorloopt dus een boog van 87°47'20" in 5u51m98,3 middelbare zonnetijd.

2. Een tijdsverloop van 3u42m178 tot boog te herleiden. 3U =3X15° =45°

40°

42m ==^- + 2X 15' = 10°30' 17' = ^-'+ IX 15"= 415"

3-42-178 =55°34'15"

In Tafel IX heeft men een zeer eenvoudig middel om een boog tot tijd en omgekeerd te herleiden.

Zooals reeds is opgemerkt, verstaat men door een zonnedag den tijd, die verloopt tusschen twee achtereenvolgende bovendoorgangen van de zon

Evenzoo noemt men den tijd, die verloopt tusschen twee achtereenvolgende bovendoorgangen van de maan, een maansdag. Ook de maansdagen zijn ongelijk van duur en komen dus evenmin als de zonnedagen in aanmerking voor éénheid van tijdmaat.

VI. DE POOLDRIEHOEK (PARALLAKTISCHE DRIEHOEK).

In Fig. 39, waar S een hemellichaam voorstelt, noemt men den boldriehoek TPS, den pooldriehoek of parallaktischen driehoek. De zijden van dezen driehoek zijn: TP, het complement van de breedte, PS = 90o + declinatie (poolsafstand) en TS, het complement van de ware middelpuntshoogte (topsafstand). De hoeken zijn: het azimuth PTS, de uurhoek TPS en de parallaktische hoek TSP.

Tusschen deze elementen bestaat natuurlijk het verband, dat wanneer er drie bekend zijn, de drie overige berekend kunnen worden. De declinatie, dus ook PS is altijd uit den Almanak bekend; stel dus, dat men de coördinaten ten opzichte van den waren horizon, n.1. de ware middelpuntshoogte en het azimuth, kon meten,dan zou men voldoende gegevens hebben, om TP, d.i. 't comple-

Sluiten