Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door eeü op dit beginsel berustende methode gelukte het BeSsel het eerst de jaarlijksche parallax van 61 Cygni.te benaderen. Hij vond voor die parallax 0",4, waaruit een afstand van ongeveer 520000 aardbaanstralen volgt. De tot nu toe dichtst bij bevonden ster is « Centauri met een jaarlijksche parallax van 0",75 of een afstand van ongeveer 272000 aardbaanstralen.

Als maat om den afstand der vaste sterren uit te drukken wordt ook de tijd gebruikt, dien het licht noodig heeft, om van een hemellichaam tot ons te komen. Als het. licht bijv. 5 jaren noodig heeft om van een ster tot ons te komen, zegt men dat de afstand van die ster 5 lichtjaren bedraagt. Het licht van de zon heeft 8 min. 17 sec. noodig om tot de aarde te komen. De afstand van « Centauri bedraagt 4,3 lichtjaren, van 61 Cygni 8,2 lichtjaren Een ster van de 6" grootte staat naar schatting op een afstand van 120 lichtjaren.

IX. HET ZONNESTELSEL.

Onder ons zonnestelsel verstaat men de zon, de planeten met hare wachters en de kometen.

De planeten beschrijven ellipsvormige banen om de zon. De lijn van doorsnede van de baan eener planeet en de ecliptica heet knooplijn. Komt een planeet benoorden de ecliptica, dan passeert zij den klimmenden knoop £i, komt de planeet bezuiden de ecliptica, dan passeert zij den dalenden knoop <U).

Het punt van de baan eener planeet, dat het dichtst bij de zon gelegen is, heet Perihelium. Het punt der baan, dat het verst van de zon verwijderd is, noemt men Aphelium. De lijn, die Perihelium en Aphelium vereenigt, d. i. dus de groote as der elliptische baan, noemt men de lijn der apsiden.

De planeten, wier banen tusschen de zon en de aardbaan liggen, noemt men binnenplaneten, de andere buitenplaneten. . Met 'curius § en Venus Q zijn de binnenplaneten. Van de buitenplaneten zijn Mars <ƒ, Jupiter 0)., Saturnus ft en Uranus § met het bloote oog zichtbaar, even als de binnenplaneten; Neptunus I4J is alleen zichtbaar door kijkers. Deze laatste planeet is dan ook veel later ontdekt dan de zes eersten.

Tusschen Mars en Jupiter bevindt zich nog een groot aantal zeer kleine planeten, asteroïden genaamd, waarvan er nog voortdurend nieuwe ontdekt worden. Al die planeten zijn donkere bollen, die alleen door ons gezien worden doordat zij het licht terugkaatsen dat zij van de zon ontvangen.

Men krijgt een vrij juiste voorstelling van de betrekkelijke afstanden waarop de planeten om de zon wentelen, door de zoogenaamde wet van Bode. Telt men bij 0 en de termen der meetkundige reeks 3, 6, 12 enz., het getal 4 op, dan krijgt men getallen, die achtereenvolgens ongeveer de betrekkelijke afstanden aangeven, waarop de planeten van de zon verwijderd zijn.

Zeevaartk., 8" dr. 7

Sluiten