Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar als a en b de zwaartepunten voorstellen van de twee helften der'verdikking, dan zal, door de meerdere nabijheid van b tot zon en maan, b sterker worden aangetrokken dan a, en het gevolg zou wezen, dat de aarde zich zou plaatsen met haar equator in het vlak van de ecliptica, zoodat de aardas zich loodrecht op de ecliptica zou stellen.

Door de groote snelheid echter, waarmede de aarde om haar as wentelt, wordt de neiging van de aardas, om zich loodrecht op de ecliptica te plaatsen, zoodanig gewijzigd, dat de hoek van 66°33', dien de aardas met de ecliptica maakt, nagenoeg standvastig blijft, en de aardas in den tijd van 25800 jaren een kegelvlak beschrijft om de as van de ecliptica, in de richting, tegengesteld aan die, waarin de aarde om haar as draait.

Daar de aardas steeds loodrecht op den equator, dus ook steeds loodrecht op de lijn T=ü= blijft, moet de lijn T=Q= en daarmede alle teekens van den dierenriem, in denzelfden tijd, waarin de aardas het genoemde kegelvlak beschrijft, een omwenteling volbrengen in het vlak van de ecliptica.

Om dit verschijnsel in grove trekken eenigszins nader toe te lichten, hebben wij Fig. 55, waarin nu voor de eenvoudigheid der teekening aan de aarde de bolvormige gedaante gegeven is.

Fig. 55.

De aarde draait met groote snelheid in de richting van het pijltje u. Door de aantrekkingskracht van zon en maan op de niet bolvormige aarde, krijgt de aardas en dus ook de hemelas MP neiging zich loodrecht op het vlak van de ecliptica te stellen en de

Sluiten