Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Id het jaar 1914 bereikte de tijdver effening,

haar le pos. maximum + 14m258,2 (a. v M. ï.) op 11 Februari.

was zij= 0 „15 April,

bereikte zij haar le neg. maximum— 3m498,2 (o. b. M T.) „ 15 Mei.

was zij = 0 „ 14 Juni.

bereikte zij haar 2e pos. maximum + 6m198,9 (a. v. M. T.) , 27 Juli.

was zij = 0 n 1 Sept.

bereikte zij haar 2e neg. maximum — 16m218,2 (o. b. M. T.) „ 3 Nov, was zij = 0 ■ 25 Dec.

XVI. DE ABERRATIE VAN HET LICHT.

Men verstaat door aberratie of afdwaling van het licht de schijnbare plaatsverandering, die alle hemellichamen ondergaan ten gevolge Fig 58 van de beweging van de aarde om de zon, in ver¬

band met de snelheid van net iiont.

Het licht, dat van de hemellichamen tot ons komt, heeft zekeren tijd noodig, om het oog te bereiken. Is de waarnemer in rust, dan treft een lichtstraal het oog in de richting, waarin het licht van het hemellichaam komt; maar beweegt de waarnemer zich in de ruimte, met een snelheid, die te vergelijken is met die van het licht, dan zal die' lichtstraal het oog treffen volgens een richting, die resultante is van de beide snelheden. Het is hiermnrlp als m et loodrecht neervallenden reeën, die

— *t voor een waarnemer in een zich bewegenden trein,

schijnbaar schuin neervalt. Stel, dat een trein zich beweegt in een richting en met een snelheid, die door het pijltje A, Fig. 58,

wordt voorgesteld, dan zuiien ane vuurwwpu, , waarlangs de trein zich beweegt, zich schijnbaar met dezelfde snelheid in tegengestelde richting, dus volgens het pijltje B bewegen. Een regendruppel, waarvan snelheid en richting door pijltje C wordt voorgesteld, heeft dus voor den waarnemer een samengestelde beweging, een werkelijke volgens C, een schijnbare volgens B, die echter door het oog niet kunnen worden onderscheiden, en het gevolg is, dat een waarnemer den indruk krijgt, alsof de regendruppel zich volgens de resultante D beweegt.

Zij AS, Fig. 59, de richting, waarin een hemellichaam zich bevindt, A de plaats der aarde, die zich in de richting van den pijl voort beweegt. Als nu Ab en Aa de betrekkelijke snelheden voorstellen van het licht en van de aarde in haar baan, dan ziet een waarnemer het

Fig. 59.

Sluiten