Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet zijn, waar de zonneschijf gedeeltelijk door de maan aan het oog zal worden onttrokken.

In Fig. 71 zijn A en Z de middelpunten van aarde en zon. Als men dan aanneemt dat M het middelpunt der nieuwe maan isj op het oogenblik dat zij juist de grens van den afgeknotten lichtkegel tusschen zon en aarde raakt, dan is MAZ de hoek waaronder uit het middelpunt der aarde de middelpunten van zon en maan zich vertoonen, waarbij juist geen zonsverduistering plaats vindt. Öm op globale wijze een waarde te verkrijgen voor dien hoek, heeft men: /JBAZ= IBCA + /_ CBA l_BCA-= /JEAZ—ICEA dus _ l_BAZ=z /_EAZ—/_CEA + /_CBA Op zeer weinig na, is

/_EAZ= de zons halve middellijn = © 1 /2 m. /_CEA = de zons horizontale parallax = © h.p. /_CBA = de maans „ „ =([h.p.

/_MAB=de maans halve middellijn =(£ 'A, m. Zoodat men heeft l_MAZ = /_BAZ+ IMAB = © i/2 m. - © h.p. + <£ h.p. + £ iL m.

voert men de grootste waarden in die deze vier grootheden kunnen verkrijgen, dan wordt:

l_MAZ= 16'18"—9"4- 61'27"-f-16'45"= 1°34'21" Voert men de kleinste waarden in, dan is:

l_MAZ= 15'45"— 7/'+ 53'53"-|- H'41'= 1°24'12// Men kan dus ten naastenbij zeggen:

Is bij nieuwe maan, de hoek gevormd door lijnen uit het middelpunt der aarde naar de middelpunten van zon en maan getrokken, kleiner dan 1024'12", dan moet er een zonsverduistering plaats hebben. Valt de waarde van dien hoek tusschen 1°24'12" en 1034/21'/, dan is een zonsverduistering mogelijk. Deze is onmogelijk als de hoek grooter is dan l°34/2r/.

Om het verband te doen zien tusschen /JMAZ, Fig. 71, en de breedte van de nieuwe maan op het oogenblik dat zij den lichtkegel tusschen zon en maan raakt, stelt in Fig. 72, ShO een deel voor van de ecliptica en Sh B een deel van de maansbaan, zoodat Fig. 72.

Zeevaartk., 8* dr.

10

Sluiten